Gebiedsindeling van de zuidelijk-Nederlandse dialecten

0. Inleiding

De redacties van de drie grote regionale woordenboeken (GRW) van het zuidelijke Nederlands - het Woordenboek van de Vlaamse Dialekten (WVD), het Woordenboek van de Brabantse Dialecten (WBD) en het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (WLD) - hebben enige tijd geleden de voorbereidingen gestart voor de lexicografische ontsluiting van de algemene woordenschat. Het ligt in de bedoeling de presentatie van het materiaal in de drie woordenboekprojecten in veel grotere mate dan tot nu toe het geval was op elkaar af te stemmen, zowel wat de planning, de inhoud en de vormgeving van de afleveringen betreft als met betrekking tot de microstructuur van de lemmata.
Een van de belangrijkste stappen die de redacties van WBD en WLD in dat verband hebben genomen, is de aansluiting bij de bestaande praktijk van het WVD inzake het opnemen van de geografische informatie. In de delen I en II van WBD en WLD, over landbouwterminologie en vaktalen, is steeds in het lemma zelf, bij elk trefwoord en zijn fonetische documentatie een opsomming opgenomen van de plaatscodes waar een bepaalde dialectvorm geattesteerd werd. Soms, in enkele afleveringen vaker, wordt de geografische spreiding van de belangrijkste heteroniemen uit ťťn lemma bovendien op een taalkaart getoond.
Het WVD heeft als jongste van de drie GRW op dit vlak van meet af aan voor een andere aanpak gekozen. De presentatie van het materiaal is verdeeld over twee afzonderlijke boekdelen. In de eigenlijke woordenboekafleveringen vindt men voor de geografische positionering van de trefwoorden globaliserende frequentie- en streekaanduidingen. De fonetische documentatie wordt samenvattend weergegeven. In het daarnaast uitgegeven "wetenschappelijk apparaat" van iedere aflevering is voor de geÔnteresseerde lezer gedetailleerde geografische en fonetische informatie te vinden (met plaatscodenummers).
Voor het WLD en WBD zal in de afleveringen van deel III, die de algemene woordenschat behandelen, eenzelfde weg worden ingeslagen. De afleveringen zullen veel kaarten bevatten met een beschrijvende tekst per lemma waarin plaats- of streekaanduidingen voorkomen in plaats van lange rijen cijfers van plaatscodes. Daarnaast zal, in boekvorm of anderszins, de exacte detailinformatie in de vorm van fonetisch en geografisch gedocumenteerde opgaven van de informanten ter beschikking gesteld worden.
Een van de eerste voorzieningen die voor deze vernieuwing getroffen diende te worden, was het ontwerpen van eenduidige, dialectologisch bruikbare gebiedsindelingen. Zij moeten de redacteur ten dienste staan bij de beschrijving van de geografische verspreiding van de aangetroffen heteroniemen en uiteraard net zo goed de lezer achteraf de mogelijkheid bieden om de globaliserende beschijving van deze spreiding in het lemma te begrijpen.
In deze bijdrage worden de voor het WLD- en WBD-gebied ontworpen indelingen voorgesteld en verantwoord. Volledigheidshalve is ook de indelingskaart WVD mee opgenomen en beschreven. Deze indeling van het Vlaamse dialectgebied werd reeds eerder gepubliceerd en verantwoord in de Inleiding van het WVD (DEVOS, e.a. 1979 : 43-44).

gebiedsindzndl.gif (13328 bytes)

1. Werkwijze

1.1. hoofd- en subregio’s
 
De bestaande terreinverdeling tussen de drie GRW, die uitgaat van provinciegrenzen, blijft ook voor de afleveringen van deel III gehandhaafd. (cf. kaart 1). Een traditionele uitzondering vormen een drietal dorpen (Zwijndrecht, Burcht en St.-Anneke) op de linkeroever van de Schelde, die dialectologisch aansluiten bij het Waasland in Oost-Vlaanderen, maar die administratief tot de provincie Antwerpen behoren. Ze worden van oudsher zowel door het WVD als door het WBD bewerkt.
De administratieve buitengrenzen van de werkgebieden lopen evenwel niet altijd parallel met de dialectologische grenzen. Zo ligt er tussen het West-Limburgse gebied ten oosten van de Gete en het aangrenzende Brabantse Hageland een Brabants-Limburgse overgangszone (zie punt 5). Voor het noordelijke deel van de grens tussen het Brabantse en Vlaamse werkgebied is de benedenloop van de Schelde een vrij scherpe dialectgrens tussen Oost-Vlaams en Antwerps. In het zuiden echter vormt de Oost-Vlaamse Denderstreek een brede overgangszone naar het Brabants toe. De Oost-Vlaamse Dendersteden Dendermonde, Aalst, Ninove en Geraardsbergen en een groot deel van het omringende platteland spreken al een West-Brabants dialect. De administratieve grens tussen Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant is volstrekt geen dialectologische grens.
Voor de indeling van het WBD- en het WLD-gebied hebben de beide redacties voor een indeling op twee niveaus geopteerd. Op het niveau van de grotere regio’s is het WLD-gebied verdeeld in 10 regio’s, het WBD-gebied telt er 9 (kaart 2). De meeste van deze hoofdregio’s werden vervolgens verder onderverdeeld in subgebieden (kaart 3). Voor beide niveaus is de afbakening grotendeels gebaseerd op bestaande dialectologische indelingen.
Voor het WLD-gebied is daarbij gekeken naar de indeling van de Limburgse dialecten volgens de bekende isoglossen (Schrijnen : 1920, Leenen : 1947, Pauwels en Morren : 1960), naar de indelingskaart van het Zuidnederfrankisch (Goossens : 1965) en naar kaart 3 in Goossens : 1963.
In het WBD-gebied is voor Noord-Brabant de indeling uit de dissertatie van Weijnen overgenomen (Weijnen : 1937, 1952). Voor de provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant is er zoveel mogelijk naar gestreefd om de dialectregio’s, zoals die in lokale en regionale monografieŽn beschreven zijn, te handhaven. Toch kon hier niet voor alle regio’s naar reeds getekende grenzen teruggegrepen worden. Vooral de grens tussen het Kempens (gebied 40) en het Zuid-Brabants (gebied 50) was moeilijk te trekken.
Voor alle in deze gebiedsindeling getekende grenzen geldt uitdrukkelijk dat de woordenboekredacties ze niet interpreteren of willen voorstellen als scherpe dialectgrenzen. Ze zijn integendeel te zien als benaderende afbakeningen die vooral een werkzame gebiedsindeling moeten opleveren. Om die reden heeft de WVD-redactie er in haar gebiedsindeling destijds voor gekozen om geen lijnen maar bredere afbakeningsstroken tussen de diverse regio’s te trekken. Dat principe is hier echter niet gevolgd, omdat het niet goed verzoenbaar was met de fijnmazigere indeling op het niveau van de subgebieden.
In beide hier gepresenteerde gebiedsindelingen vallen de meeste grenslijnen samen met een of enkele belangrijke isoglossen. Net zo goed zijn er echter voor ieder afgebakend gebied grenslijnen van dialectverschijnselen te vinden die er dwars doorheen lopen. De gebiedsindelingen pretenderen dan ook niet meer dan samen een bruikbare indeling van de Zuidnederlandse dialecten te leveren, waarmee de geografische spreiding van dialectverschijnselen op een eenvoudige en doorzichtige manierbeschreven kan worden.

1.2. Benamingen en afkortingen

De namen die aan de onderscheiden gebieden worden toegekend, zijn van diverse aard. Waar mogelijk werd ook bij de naamgeving een beroep gedaan op de bestaande en ingeburgerde terminologie uit de vakliteratuur (bv. Ripuarisch). Waar dat niet kon, werd getracht om aardrijkskundige streeknamen zoals de Kempen of het Pajottenland te gebruiken. In andere gevallen werd een voor de hand liggende nieuwe term gecreŽerd, die bovendien een aanwijzing over de lokalisering bevat (bv. noordelijk Oost-Limburgs).
De namen van de gebieden zeggen op zichzelf niets over de dialecten die daar gesproken worden. Zo wil een term als Bilzerlands zeker niet suggereren dat in heel dit gebied het dialect van Bilzen gesproken zou worden. Het feit dat een dialectplaats in een bepaalde regio ligt, zegt alleen maar dat het dialect van deze plaats meer overeenkomsten vertoont met de andere dialecten in deze regio dan met de dialecten daarbuiten.
Voor elk van de hier ingevoerde gebiedsnamen werd ook een geijkte afkorting gemaakt. Die afkortingen worden in de woordenboeklemmata uiteraard zeer vaak gebruikt. Een overzicht ervan volgt hierna bij de gedetailleerde beschrijving van de beide gebiedsindelingen.

1.3. Benoemingsmogelijkheden

De redacteurs van de drie GRW beschikken met de hier voorgestelde gebiedsindelingen voortaan over een reeks mogelijkheden om de geografische verspreiding van heteroniemen in de woordenboektekst te beschrijven. Uiteraard kan bij slechts lokaal voorkomende lexemen gewoon de plaatsnaam gebruikt worden. Van de Nederlandse plaatsnamen is de spelling aangepast volgens de telefoonboeken van de Nederlandse PTT. Bij sommige plaatsnamen levert het gebruik ervan evenwel problemen op, omdat ze twee (in enkele gevallen zelfs drie) keer in hetzelfde woordenboekgebied voorkomen. Zo kan de plaatsnaam Heusden in het WLD-gebied betrekking hebben op de dialectplaats met het Kloeke-nummer L 263b en op K 315; Gestel kan in het Brabantse dialectgebied verwijzen naar L 229a, K 298 of K 312c. Om die reden werd beslist om in die gevallen na een afzonderlijk vermelde plaatsnaam steeds de naam van de regio tussen haakjes toe te voegen.
Daarnaast werd voor twee van de drie GRW aan de hand van de beschikbare monografieŽn een zogenaamde "canonieke lijst" van plaatselijke of streekwoordenboeken opgesteld (cf. kaart in bijlage voor WLD en WBD). Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen gedrukte publicaties (die "woordenboek" (Wb.) genoemd worden) enerzijds en ongepubliceerde bronnen (die "woordenlijst" (Wl.) genoemd worden) anderzijds. De plaatsen waarvoor een werk in de canonieke lijst werd opgenomen zijn op kaart 2 met een cirkeltje aangeduid. De plaatsnaam van een dialectplaats uit de canonieke lijst met de toevoeging "Wb." Of "Wl." fungeert als citeerafkorting; bij streektaalwoordenboeken (zoals bv. het Weertlands Woordenboek of het Haspengouws Idioticon) fungeert de streektaalnaam uit de titel van het werk als plaatsnaam. In alle andere gevallen van aan te halen bronnen buiten de canonieke lijst wordt de auteursnaam met jaartal van uitgave als citeervorm gebruikt. Van werken waarnaar op deze wijze verwezen wordt, is een volledige referentie vanzelfsprekend in de bibliografie van de aflevering terug te vinden.
Ten slotte zullen in de woordenboeklemmata uiteraard zoveel mogelijk de gebiedsnamen uit de hier voorgestelde indeling gebruikt worden. De redacteurs zullen waar nodig ook meer globaliserende omschrijvingen zoals "in de oostelijke helft van Belgisch Limburg" of "in nagenoeg heel Vlaams-Brabant en het zuiden van de Antwerpse Kempen" moeten gebruiken. Deze ad hoc-terminologie zal echter steeds zelfverklarend zijn.

 2. De indeling van het WLD-gebied

Het WLD-gebied bestrijkt de provincies Belgisch en Nederlands Limburg en het vanouds Germaanstalige noordoostelijke deel van de provincie Luik. Het wordt ingedeeld in 10 hoofdregio’s, die min of meer de vorm van langgerekte stroken hebben en van het zuidoosten naar het noordwesten op elkaar aansluiten. De perifere Limburgse gebieden 60 (Truierlands), 70 (Brabants Limburgs), 80 (Lommels), 90 (Zuid-Gelders Limburgs) en 100 (Noord-Gelders Limburgs) vormen overgangszones naar de Brabantse en de Gelders dialecten toe, terwijl gebied 10 (Ripuarisch) de overgang vormt naar de Keulse dialectregio.
De vier centrale hoofdregio’s worden nog verder verdeeld in subgebieden. Op die manier ontstaan binnen het WLD-gebied volgende deelgebieden:
gebiedsnummer en -naam afkorting
10 Ripuarisch
20 Oost-Limburgs-Ripuarisch overgangsgebied
     21 Oostelijk Zuid-Limburgs
     22 Geullands
30 Oost-Limburgs
     31 Noordelijk Oost-Limburgs
     32 Zuidelijk Oost-Limburgs
40 Centraal Limburgs
    41 Weertlands
    42 Horns
    43 Maaskempens
    44 Centraal Maaslands
    45 Trichterlands
    46 Bilzerlands
    47 Tongerlands
50 West-Limburgs
    51 Dommellands
    52 Demerkempens
    53 Beringerlands
    54 Lonerlands
60 Truierlands
(Zuid-Brabants-West-Limburgs overgangsgebied)
70 Brabants-Limburgs
    71 Noorderkempens
     (in de Brabantse indeling: gebied 41)
    72 Zuiderkempens
     (in de Brabantse indeling: gebied 42)
    73 Getelands
     (in de Brabantse indeling:gebied 60)
80 Lommels
(Meierijs, dat aansluit bij het Brabantse Kempenlands;
daar: gebied 31)
90 Zuid-Gelders Limburgs
100 Noord-Gelders Limburgs
(Kleverlands, dat aansluit bij het Brabantse Cuijks;
daar: gebied 80)
Ripuar
Oostlb-Rip. overgg.
Oost.Zuidlb
Geullds.
Oostlb.
Noord.Oostlb.
Zuid.Oostlb.
Centr.Lb.
Weertlds.
Horns
Maaskemp
Centr.Maaslds.
Trichterlds.
Bilzerlds.
Tongerlds.
Westlb.
Dommellds.
Demerkemp.
Beringerlds.
Lonerlds.
Truierlds.
 
Brab.Lb.
Noorderkemp.
 
Zuiderkemp.
 
Getelds.
 
Lommels
 
 
Zuidgeld.Lb.
Kleverlds.
 
 

gebiedsindwld.gif (8835 bytes)

3. De indeling van het WBD-gebied

3.1. Beschrijving

Het gebied van het WBD omvat de provincies Noord-Brabant, Antwerpen en Vlaams-Brabant, iclusief het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De hierna gepresenteerde indeling verdeelt dit gebied in negen hoofdregio’s. In drie daarvan, te weten Het Westhoeks (70), het Cuijks (80) en het Budels (90) worden strikt dialectologisch gesproken geen Brabantse dialecten gesproken. Deze perifere regio’s liggen echter wel binnen de provinciegrenzen en om die reden worden hun dialecten ook mee behandeld in het WBD.
De zes "Brabantssprekende" hoofdregio’s van het WBD-gebied worden, beginnend in het noordwesten, in uurwijzerzin genummerd. Vijf van deze zes hoofdregio’s worden nog verder opgedeeld in subgebieden. Dat levert de volgende gebiedsindeling op:
gebiedsnummer en -naam afkorting
10 Noordwest-Brabants
    11 Markizaats
    12 Baronies
    13 Antwerps
20 Midden-Noord-Brabants
    21 Tilburgs
    22 Hollands-Brabants
    23 Maaslands
30 Oost-Noord-Brabants
    31 Kempenlands
    32 Noord-Meierijs
    33 Peellands
    34 Geldrops
    35 Heeze-en-Leendes
40 Kempens
    41 Noorderkempens
    42 Zuiderkempens
50 Zuid-Brabants
    51 Kleinbrabants
    52 Pajottenlands
    53 Centraal Zuid-Brabants
    54 Hagelands
60 Getelands
70 Westhoeks
80 Cuijks
90 Budels
Noordwestbr.
Mark.
Bar.
Antw.
Middennoordbr.
Tilb.
Holl.-Br.
Maasl.
Oostnoordbr.
Kempenl.
Noordmei.
Peell.
Geldr.
Heeze-en-Leendes
Kemp.
Noorderkemp.
Zuiderkemp.
Zuidbr.
Kleinbr.
Pajott.
Centr.Zuidbr.
Hagel.
Getel.
Westh.
Cuijks
Bud.

gebiedsindwbd.gif (13278 bytes)

3.2. Verantwoording

Omdat er voor het Belgische deel van het WBD-gebied niet uitgegaan kon worden van het resultaat van eerdere indelingspogingen voor de dialecten in de provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant, volgt hierna een korte beschrijving van de criteria die bij het trekken van de voornaamste indelingslijnen in deze regio’s een rol gespeeld hebben.
1. De oostgrens van het Getelands (60) is de Getebundel zoals die door Pauwels en Morren beschreven is (Pauwels en Morren 1960). De westgrens van deze regio is de Uerdingerlijn.
2. Het Kleinbrabants (51) beslaat het gebied dat door Blancqaert als werkterrein voor het eerste deel van de Reeks Nederlandse Dialectatlassen is afgebakend (Blancqaert 1925).
3. Het Pajottenlands (52) bestrijkt dan het resterende zuidwestelijke deel van het Zuid-Brabants. Omdat de dialecten in de buurt van Brussel eerder westelijk dan oostelijk georiŽnteerd zijn, werd de Brusselse agglomeratie bij het Pajottenlands gevoegd. Uiteraard bekleedt het als bedreigd stadsdialect binnen deze dialectregio een zeer specifieke plaats.
De westgrens van het Hagelands (54) is grotendeels - i.e. vanaf Tremelo (P 022) tot net ten zuiden van Leuven (P 088) - vastgelegd in een oudere Leuvense licentiaatsverhandeling over dit gebied (Lontie 1923). Voor het resterende zuidelijke stukje tot op de taalgrens werd de loop van de Dijle als grens aangenomen.
Deze afbakening van het Hagelands stemt overeen met de vage begrenzing die door Tuerlinckx in 1886 werd beschreven: "de streek gelegen tusschen Diest, Tienen, Leuven en Aerschot" (Tuerlinckx 1886 : 1). Ze is evenmin strijdig met de definitie van het Hageland van E. Vliebergh: "deel der provincie Brabant, gelegen tusschen Ghete, Demer en Dijle" (Vliebergh s.d. : 12).
Bovendien valt deze grens tussen het Hagelands en het Centraal Zuid-Brabants (53) samen met linguÔstische grenzen in deze streek, zoals de westgrens van het Leuvense ontrondingsgebied (Verstegen 1941 : 302-303) en de westgrens van het aaneengesloten Zuidbrabantse gebied waarin "-em" voor enclitisch "hij" voorkomt (Goossens 1992 : 38-39, kaarten 2 en 3).
5. De oostgrens van het Antwerps (13) volgt vanaf de rijksgrens ten oosten van Loenhout (K 205) tot bij Lier (K 291) de isofoon die het gebied met ťťn gesloten korte e-klank afbakent (Van Linden 1968 : 60 e.v.).
Voor de zuidgrens van het Antwerps (13) werd de loop van de Rupel en de Nete gevolgd, zodat Boom en omgeving nog bij het Antwerps aansluiten. Hoewel het Kloeke-codenummer het tegendeel suggereert, sluit Walem (K 325a) meer aan bij Sint-Katelijne-Waver (K 331) en Mechelen (K 330) dan bij Rumst (K 325) (Wijnants 1939 : dl. IV, verzamelkaart).
6. De zuidgrens van het Kempens (40) is de aardrijkskundige grens van de Kempen: de Demer- en Dijlevallei tot Bonheiden (K 334). Om de dialectologische relevantie van deze geografische scheidingslijn na te gaan, werden de kaarten bij de studie van J.L. Pauwels over het dialect van Aarschot en omstreken (Pauwels 1958 : deel 2) bestudeerd.
Van de 267 kaarten die Pauwels voor het gebied tussen Zichem (K 351) en Keerbergen (K 337) getekend heeft, zijn er 37 die een min of meer horizontaal verlopende isofoon vertonen (nrs. 14, 17, 19, 20, 21, 22, 31, 34, 40, 42, 57, 58, 59, 60, 62, 63, 65, 71, 72, 79, 102, 103, 112, 116, 127, 131, 157, 168, 187, 191, 209, 221, 237, 238, 242, 266). Een combinatiekaart van deze 37 lijnen laat zien dat in de oostelijke helft van Pauwels’ onderzoeksgebied van Averbode (K 351a) tot Tremelo (P 022) de provinciegrens tegelijk de belangrijkste horizontaal verlopende klankgrens is.
Begijnendijk (K 344) en Keerbergen (K 377) zijn overgangsdialecten die zich in ongeveer gelijke mate zowel tegen hun noordelijke als tegen hun zuidelijke buurgemeenten afzetten. Daarom werd de positie van deze twee plaatsen nog eens op alle 267 kaarten bekeken. Op 60 van Pauwels’ kaarten scheidt een klankgrens Begijnendijk (K 344) duidelijk van de noordelijk gelegen Antwerpse plaatsen Houtvenne (K 343) en Ramsel (K 349). Op 53 kaarten verloopt de klankgrens tussen Begijnendijk en de zuidelijk gelegen Brabantse plaatsen Baal (P 023) en Betekom (P 024). Vanwege dit lichte overwicht kan bijgevolg ook hier de provinciegrens het beste als scheiding tussen Kempens en Zuid-Brabants gevolgd worden.
Op niet minder dan 126 door Pauwels getekende kaarten vormt de Dijle tussen Keerbergen (K 377) en Haacht (P 016) een duidelijke dialectgrens. Daarom wordt ook Keerbergen in deze indeling bij het Zuiderkempens gelaten.
Vanaf Tremelo (P 022) tot aan de grens met het Antwerps volgt de gebiedsgrens de loop van de Dijle, waarbij Muizen (K 335) en Mechelen (K 330) bij de Zuider-Kempen blijven.
Het westelijke deel van de grens tussen het Noorderkempens (41) en het Zuiderkempens (42) stemt met de aardrijkskundig scheiding tussen Noorder- en Zuiderkempen overeen: de lijn Wijnegem (K 253) - Grobbendonk (K 268) - vallei van de Kleine Nete. Het oostelijke deel van deze grens werd evenwel aangepast aan de dialectologische realiteit, die Olmen (K 313), Balen (K 277), Kwaadmechelen (K 314) en Oostham (K 315) bij het Noorderkempens laat aansluiten.

 

4. De indeling van het WVD-gebied

De indeling van het WVD-gebied werd ontworpen door de 2 WVD-redacteurs van het eerste uur, Magda Devos en Hugo Ryckeboer, en staat kort beschreven in de Inleiding op het WVD (Devos, Ryckeboer e.a. 1979 : 43-44). In de aflevering over de kuiper en de hoepelmaker (Van Keymeulen e.a. 1988) werd voor het eerst ook Zeeuws-Vlaanderen bewerkt. Het overzichtskaartje op blz. XIV kan dan ook beschouwd worden als een aanvulling op het indelingskaartje op blz. 44 van de Inleiding.
 
Het WVD acht het wenselijk om voor deel III de vertrouwde indeling te behouden. Die indeling heeft in de praktijk haar werkbaarheid bewezen, en zo werd ook een breuk met het verleden vermeden. We vatten even samen. Het WVD gebruikt als hoogste niveau de namen van de provincies West-Vlaanderen (WV) en Oost-Vlaanderen (OV), en de streeknamen Frans-Vlaanderen (FV) en Zeeuws-Vlaanderen (ZV). Op een tweede niveau worden die geografische omschrijvingen verder onderverdeeld met de windstreken: b.v. FV noord, WV oost, OV noordoost e.d. Een derde indeling - qua grootte van de regio's te vergelijken met niveau twee - is een onderverdeling in streken "die zonder precies afgebakend te zijn meestal overeenkomen met een historisch of taalkundig landschap" (Devos, Ryckeboer e.a. 1979 : 44). Voor Frans-Vlaanderen werden geen streken onderscheiden; voor Zeeuws-Vlaanderen werd de indeling van het Woordenboek der Zeeuwse Dialecten overgenomen. Die indeling is zowel taalkundig als strikt geografisch relevant. In Zeeuws-Vlaanderen volgen de isoglossenbundels immers vrij goed de loop van de oude kustlijnen (zie Taeldeman 1979).
 
Overzicht van de streekaanduidingen met de afkorting ervan.
streekaanduidingen afkorting
West-Vlaanderen
Veurne-Ambacht
de streek van Ieper-Poperinge
West-Vlaamse Polders
West-Vlaams Houtland
West-Vlaanderen zuidoost
(vaak met de specificatie benoorden of bezuiden Leie)
WV
Veurne-Amb.
str. v. Ieper-Poperinge
WV Polders
WV Houtl.
WV zuidoost
 
Oost-Vlaanderen
Meetjesland
de streek van Nevele en Deinze
de streek van Oudenaarde en Ronse
Gent noord
Gent zuid
de streek van Zottegem
Waasland
de streek van Dendermonde
de Denderstreek
OV
Meetjesl.
str. v. Nevele en Deinze
str. v. Oudenaarde en Ronse
 
 
str. v. Zottegem
Waasl.
str. v. Dendermonde
Denderstr.
Zeeuws-Vlaanderen
West-Zeeuws-Vlaanderen
Oost-Zeeuws-Vlaanderen
(verdeeld in:
Land van Axel
Land van Hulst
Zeeuws-Vlaamse Grensstreek)
ZV
WZV
OZV
 
L. v. Axel
L. v. Hulst
ZV grensstr.
gebiedsindwvd.gif (12879 bytes)
 
Bij het ontwerpen van de streekaanduidingen stond de gedachte voorop dat ze zoveel mogelijk moesten aansluiten bij de geografische kennis en terminologie van de gewone gebruiker van het woordenboek. Aan die voorwaarde is nagenoeg altijd voldaan. Een kunstgreep is wel 'Gent noord' en 'Gent zuid', twee benamingen die ontworpen zijn voor streken waarvoor geen populaire naam voorhanden is en waarin ook geen belangrijke stad ligt die als referentiepunt kan dienen voor een benaming met 'streek van'.
Door het kiezen van louter geografische namen (b.v. West-Vlaanderen), in plaats van taalkundige aanduidingen (b.v. West-Vlaams), heeft de redactie zich verre kunnen houden van de suggestie dat de aangeduide landschappen ook een of andere taalkundige eenheid vertonen. Ook de vraag of woordgeografische patronen in termen van klankgeografische patronen beschreven kunnen worden, werd op die manier vermeden. Bovendien zijn de grenzen tussen de streken bewust vaag voorgesteld. Het systeem van de streekaanduidingen heeft geen wetenschappelijke pretenties, maar dient een louter praktische doelstelling: woordgeografische patronen beschrijven in geografische termen die een gewone gebruiker goed kan begrijpen.
Op het laagste niveau van de benaderende geografische beschrijving wordt traditioneel gewerkt met de aanduiding 'omgeving' (omg.) + de naam van een plaats. De redactie heeft gaandeweg wel de vrijheid genomen om ook nog andere beschrijvingen te gebruiken als 'tussen Aalst en Ninove', of 'langs de Schelde'. Indien een woord maar drie keer (soms vier keer) werd geattesteerd, wordt de geografische omschrijving vervangen door een opsomming van de betreffende plaatsen.

5. Gebiedsgrenzen

5.1. De grens tussen Limburgs en Brabants

Bij het maken van de boven beschreven gebiedsindeling bleek algauw dat het noodzakelijk was om de gebiedsbenamingen en -afbakeningen goed op elkaar af te stemmen. De overgang tussen Limburgs en Brabants - en daarmee ook de naad tussen de werkterreinen van WLD en WBD - is immers een complexe zaak.
In het WBD-gebied liggen twee gebiedjes die dialectologisch gezien bij het Limburgs aansluiten. Ten eerste is dat het Budels (90), waarvan precies om die reden in het WBD-gebied een aparte regio is gemaakt. De dialecten van Budel (K 285), Groot Schoot (K 285a), Maarheze (K 284) en Soerendonk (K 283) sluiten bij de Dommellandse dialecten van gebied 51 in de WLD-indeling aan.
Ook in de Brabantse plaatsen Rummen (P 107a) en Grazen (P 108) worden Limburgse dialecten gesproken. Deze plaatsen sluiten in de indeling bij het Truierlands (60) op de WLD-kaart aan.
Omgekeerd zijn er ook gebiedjes op de WLD-kaart die dialectologisch gezien Brabants zijn. Drie ervan vormen samen het Brabants Limburgs (70), namelijk:
1) het Getelands (73), bestaande uit de dialecten van Zelem (P 044), Meldert (P 045), Linkhout (P 046), Loksbergen (P 047), Halen (P 048) en Zelk (P048a), die aansluiten bij het Getelands op de WBD-kaart;
2) het Zuiderkempens (72), bestaande uit de dialecten van Oostham (K 315), Kwaadmechelen (K 314), Genendijk (K 314a), Hulst (K 353c), Tessenderlo (K 353), Schoot (K 353a) en Engsbergen (K 353b), die aansluiten bij het Zuiderkempense gebied op de WBD-kaart;
3) het Noorderkempens (71), bestaande uit de dialecten van Kerkhoven (K 317a) en Leopoldsburg (K 317), die aansluiten bij het Noorderkempense gebied op de WBD-kaart.
Buiten het Brabants Limburgs (70) bestaat ook het Lommelse gebied (80) uit sterk Brabants gekleurde dialecten binnen de grenzen van het WLD-gebied. Het Lommels omvat de dialecten van Lommel (K 278), Stevensvennen (K 278a) en Lommel-Kolonie (L 312a) en sluit aan bij het noordelijk gelegen Kempenlands (31) op de WBD-kaart.
Tenslotte vormt het Beringerlands (53) binnen het Limburgse gebied een echte overgangszone tussen Limburgse en Brabantse dialecten. Van de dialecten gesproken in Beringen (K 358), Eversel (K 358a), Tervant (K 358b), Paal (K 357), Beverlo (K 318), Korspel (K 318a) en Heppen (K 316) is amper uit te maken of ze meer Limburgs dan wel meer Brabants getint zijn. Ze werden uiteindelijk als afzonderlijke groep onder het West-Limburgs (50) opgenomen.

5.2. De grens tussen Vlaams en Brabants

De aansluiting tussen de WVD- en WBD-indeling levert geen grote problemen op. Hoewel het Waaslands een gedeeltelijk verbrabantst dialect is, vormt de benedenloop van de Schelde toch een goede dialectgrens met het Antwerps. In het zuiden sluit de streek van Dendermonde aan bij het Kleinbrabants in het WBD; de Denderstreek bij het Pajottenlands.

 

Bibliografie

Blancquaert, E.
1925 Dialect-atlas van Klein-Brabant. Antwerpen.
 
Devos, M. e.a.
1979 Woordenboek van de Vlaamse Dialekten. Inleiding. Tongeren.
 
Ghijsen, Ha. C. M.
1964 Woordenboek der Zeeuwse Dialecten. Den Haag.
 
Goossens, J.
1963 Taalgeografie en moderne naamgeving. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 80, 41-54, 185-203.
 
Goossens, J.
1965 Die Gliederung des SŁdniederfršnkischen. Rheinische Vierteljahrsblštter 30, 79-94.
 
Goossens, J.
1992 Dialecten in het centrale Zuidnederlandse stedennetwerk. Taal en Tongval themanummer 5, 29-47.
 
Leenen, J.
1947 Limburgse klankgrenzen. Bijdragen en Mededelingen van de Dialectencommissie, 1-13.
 
Lontie, R.
1923 Het dialect van Lubbeek en dialectgeographie van West-Hageland. (Licentiaatsverhandeling K.U.Leuven)
 
Pauwels, J. L.
1935 De taal in het Hageland. Steden en Landschappen VIII, De Demervallei. Antwerpen, 31-40.
 
Pauwels, J. L.
1958 Het dialect van Aarschot en omstreken. (= Bouwstoffen en studiŽn voor de geschiedenis en de lexicografie van het Nederlands, dl. V).
 
Pauwels, J. L. & L. Morren
1960 De grens tussen het Brabants en het Limburgs in BelgiŽ. Zeitschrift fŁr Mundartforschung XXVII, nr. 2, 88-96.
 
Schrijnen, J.
1920 De Isoglossen van Ramisch in Nederland. Bussum.
 
Taeldeman, J.
1979 Op fonologische verkenning in Zeeuws-Vlaanderen. Taal en Tongval XXXI, 143-191.
 
Tuerlinckx, J. F.
1886 Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon. Gent.
 
Van Keymeulen, J. e.a.
1988 Woordenboek van de Vlaamse Dialekten. Deel II: Niet-agrarische vaktalen. Aflevering 4: De kuiper en de hoepelmaker. Gent/Tongeren.
 
Van Linden, L.
1968 De korte e-fonemen in de Provincie Antwerpen. Een struktuurgeografisch onderzoek. Licentiaatsverhandeling K.U.Leuven.
 
Verstegen, V.
1941 De ontrondingsgebieden in Zuid-Nederland. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, 299-304.
 
Vliebergh, E.
s.d. Het Hageland. Bijdrage tot zijn ekonomische geschiedenis in de XIXe en in ‘t begin der XXe eeuw. Brugge.
 
Weijnen, A.A.
1937 Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant in aansluiting aan geographie, geschiedenis en volksleven. Fijnaart.
 
Weijnen, A.A.
1952 De dialecten van Noord-Brabant. ‘s-Hertogenbosch.
 
Weijnen, A.A. & J. Van Bakel
1967 Voorlopige inleiding op het Woordenboek van de Brabantse Dialecten. Assen.
 
Weijnen, AA. e.a.
1983 Woordenboek van de Limburgse Dialecten. Inleiding en agrarische terminologie I.1. Assen
 
Wijnants, P.
1939 Het dialect van Mechelen. (Licentiaatsverhandeling K.U.Leuven.)

 

                                                                                                                        R. Belemans, J. Kruijsen, J. Van Keymeulen